zondag 7 oktober 2012

Sprookje

Er was eens een boomhut in een smal bos aan de rand van een dorp. Soms was de schrijfster daar en verzon ze verhalen over Beer en Konijn. Wanneer zij er niet was, kropen twee meisjes de touwladder op en speelden er tot het donker werd. Na verloop van tijd werd het er een rommeltje. De schrijfster liet haar papieren slingeren en vergat haar vuile vaat af te wassen. De meisjes maakten het er niet beter op: ze sleepten stenen naar boven, bakjes met zand en gras en gieters met water, waardoor er blubber tussen de kieren van de plankenvloer kwam. 

Toen het herfst werd en de eerste storm zijn werk in het bos gedaan had, was de boomhut veranderd in een bouwval: takken en bladeren waren naar binnen gewaaid, in de vochtige gordijnen en dekens groeide schimmel, spinnen krioelden in alle hoeken en gaten en hun prachtig geweven webben hingen kriskras door de hut.

Het was tijd voor een opknapbeurt. De gordijnen werden vervangen, het houtwerk werd geschilderd en gelakt. In de deuropening kwam een echte deur, zelfs de ramen kregen glas. De boomhut werd een huisje. Er kwam een tafel voor het rechter raam, met een schemerlamp erboven. Voor het andere raam kwam een schommelstoel, die in delen naar boven werd gehesen, omdat hij niet in zijn geheel door de deuropening paste.

En zo kwam de dag dat de schrijfster weer naar haar boomhut ging, haar laptop in haar tas, beer en konijn onder de arm, klaar voor een nieuw verhaal.

1 opmerking: