zondag 29 april 2012

Koninginnedag en een verloren pop

(Onderstaand verhaal heb ik anderhalf jaar geleden onder de titel 'Queensday and a lost doll' in het Engels geschreven en gepubliceerd in het kader van Fröken Skicklig’s 'Lost Doll Contest'. Ik won daarmee een e-class poppenmaakcursus en maakte de pop op de foto onderaan dit bericht.)



Het was Koninginnedag, ik was ongeveer zes jaar oud. Het weer was verschrikkelijk die dag, de regen kwam met bakken uit de hemel. Mijn moeder keek naar de donkere wolken boven ons huis en zei dat het leek alsof het nooit meer zou ophouden met regenen. Ze besloot dat ze in haar eentje naar de vrijmarkt zou gaan, maar beloofde dat ze voor mij en mijn zusjes iets moois mee terug zou nemen.


Het duurde niet lang voor ze weer thuis was, hoewel het voor ons eeuwen had geleken voordat ze terug was. We zaten bij het raam tekeningen op de beslagen ruit te maken toen ze terugkwam, doorweekt, maar vrolijk en opgetogen.
‘Ik heb prachtige dingen voor jullie,’ zei ze, terwijl ze haar tassen op de keukentafel neerzette. ‘Heidi,’ zei ze en ze keek me aan met een stralende lach, ‘ik heb voor jou de mooiste pop van de wereld gevonden!’ Een blij gevoel borrelde in mij naar boven en nestelde zich in mijn buik. Een pop! Voor mij! Ik begreep door de manier waarop ze naar me gekeken had dat het echt iets speciaals was, dat ze niet zomaar een oude pop voor me had gekocht, maar een bijzondere en helemaal alleen voor mij. Ze kletste door terwijl ze haar tassen uitpakte. Mijn zusjes kregen elk een bruine pluche knuffelbeer met kleertjes aan. Met z’n drieën kregen we een gigantische vloerpuzzel van de Bereboot, mijn vader kreeg rubberen laarzen en voor zichzelf had ze bollen wol en breinaalden gekocht.

‘Ik begrijp het niet,’ zei ze plotseling, terwijl ze mij aan keek. ‘Ik zie de pop nergens.’ Ze hield de tassen ondersteboven. Ze waren leeg. Ik keek naar mijn zusjes die hun nieuwe teddyberen stevig knuffelden. Mijn moeder tilde me op en zette me op haar schoot. Ik begon te huilen, hoewel ik dat niet wilde. Maar ik wilde de onbekende pop zo graag hebben, vasthouden en knuffelen, dat de tranen als vanzelf over mijn wangen stroomden. Mama bleef doorzoeken, keerde de tassen helemaal binnenstebuiten, tot ze ineens mijn hand greep.
‘We gaan terug!’ zei ze gedecideerd. ‘Die pop moet ergens zijn, ik ben hem waarschijnlijk op de weg naar huis kwijtgeraakt. Kom mee!’


We trokken onze regenjassen aan en stapten in de stromende regen op de fiets. Ik voelde me een speurhond op expeditie, zoekend naar de verloren pop. Langzaam reden we door de straten van ons dorp. We keken overal, onder struiken en bomen, in tuinen en paadjes. 

We hadden de pop nog steeds niet gevonden toen we bij de rommelmarkt aankwamen. We zetten onze fietsen op slot en hand in hand gingen we verder met de zoektocht. Toen we zonder pop aankwamen op de plek waar mijn moeder haar gekocht had, was het al laat; de meeste verkopers waren al bezig met inpakken. Om me te troosten kreeg ik een kralendoos van de vrouw van het kraampje en ik deed mijn best om te doen alsof ik daar erg blij mee was. Op de terugweg vocht ik met een brok in mijn keel tegen de tranen.


De pop verdween niet meer uit mijn gedachten, ook al had ik haar nooit gezien. De weken na die Koninginnedag stelde ik me regelmatig voor dat ik haar toch nog vond. Later stelde ik mezelf gerust met de gedachte dat een ander meisje haar vond en dat zij goed voor haar zorgde. 
Lange tijd was ik er van overtuigd dat de pop bijzondere gaven had, dat ze magisch was, omdat ik me door haar zo speciaal had gevoeld. Jaren later realiseerde ik me dat het iets anders was waardoor ik die gevoelens had gekregen: de manier waarop mijn moeder me aangekeken had toen ze vertelde van die mooie pop.





zaterdag 28 april 2012

de kraai

Pok! 
Lea en Fanny keken elkaar geschrokken aan.
'Wat was dat?'
Op knieën kropen ze naar de deuropening van de boomhut. Vlak naast de touwladder lag een grote zwarte vogel in het gras.



'Is ie dood?' fluisterde Fanny. 'Ik vind het zielig.'
'Nee, zijn buik beweegt,' antwoordde Lea. 'Kijk maar, hij hijgt. Hij is tegen de boom gevlogen, denk ik.'

Plotseling maakte het beest een sprongetje, waardoor het rechtop kwam te zitten.
'Kijk hij leeft!' riep Fanny uit.
De vogel hipte een eindje bij de boom vandaan en bleef weer roerloos zitten.
'Volgens mij is het een kraai,' zei Lea. 'Die zijn altijd zwart.'
'Als hij niet meer kan vliegen, dan kunnen we hem leren praten,' zei Fanny. 'Kom, dan kijken we of hij wegvliegt als we naar beneden komen.'

De meisjes klommen achter elkaar de touwladder af, muisstil, half omgedraaid kijkend naar de beduusde vogel. Fanny ging voorop. Lea liep vlak achter haar. Voetje voor voetje slopen ze naar het beest, hun armen gestrekt voor zich uit, klaar om het beest te grijpen.


Ineens schudde de kraai zijn kop en kraste luid. Toen nam hij een aanloop, spreidde zijn vleugels en vloog weg.


zondag 15 april 2012

Lucie

Er was post. De doos met de opgeplakte letters P O S T, die dienst deed als brievenbus, hing een beetje scheef aan zijn ophaalkoord. Er lag een bruin papieren pakje in, dat dichtgebonden was met zandkleurig touw. Er stond niet op voor wie het bestemd was of wie het gestuurd had; er zaten niet eens postzegels op. Ik besloot dat het voor mij was.

Ik haalde het touw los en vouwde het papier open. Er zat een grote lucifersdoos in het pakje. Het deksel stond een beetje bol, waardoor ik onmiddellijk zag dat er iets in de doos zat.


Ik schoof het deksel er een klein stukje vanaf.


Er zat een piep klein meisje in, met bruine haren en bruine ogen, een roze mond, maar geen neus. Haar armen en benen waren langs haar romp over haar schouders gevouwen, zodat ze precies in het rechthoekige bakje paste.

Ik schoof het deksel helemaal van haar af en vouwde haar lange rood-wit gestreepte armen en benen uit de holtes naast haar hoofd en legde ze over de randen van de lucifersdoos.


Het was een Lucie, of een van 'the match box people', zoals men ze in Engeland en de Verenigde Staten noemen.

Lucies komen uit Zweden, om precies te zijn uit de luciferfabriek van Uddevalla. Het volkje woont al bijna honderd jaar in de fabriekshallen. Vanwege de zwaveldampen die er hangen, hebben ze geen neus. Ze zouden constant flauwvallen van de geur van rotte eieren die de hele dag om hen heen hangt.



 

Heel af en toe reist een Lucie af naar de mensenwereld. Meestal uit nieuwsgierigheid, soms om een boodschap door te geven. Aangezien mijn Lucie geen briefje bij zich had, vermoedde ik dat ze gewoon een tijdje bij mij in de boomhut wilde zijn.

Ik zette haar naast Konijn en Beer in de vensterbank, zodat ze het Smalle Bos in kon kijken en bedacht me dat ze nu met z'n drieën waren en dat dat voor problemen kon zorgen. Ik besloot Fanny en Lea om hulp te vragen. De meisjes hadden de boomhut ontdekt en zouden misschien wel willen helpen met het verzorgen van de aangewaaide boomhutbewoners. 



Terwijl ik dat bedacht, keek ik even naar Lucie. Ze had een glimlach om haar mond gekregen.


maandag 9 april 2012

De lege boomhut in het smalle bos

Er woonden twee meisjes in het huis aan de rand van het dorp. Vanuit hun slaapkamer keken ze uit op het bos dat bij hun tuinhek begon en de grens markeerde tussen het dorp en de weilanden. Lea en Fanny noemden het bos het 'smalle bos', omdat het niet breder was dan tien bomen en er slechts een smal paadje door liep. 

Op een middag, toen ze al heel lang in de tuin gespeeld hadden met gras en stenen en ze bloemblaadjes met modder en water gemengd hadden, besloten ze, zonder het echt te overleggen, het smalle bos in te gaan om takken te zoeken.

Er lagen niet veel losse takken tussen de bomen. Ze vonden er één,
die ze in tweeën braken zodat ze allebei een stok hadden. 

'Dit is mijn toverstok', riep Fanny en ze zwaaide er mee in het rond.
'Hocus pocus pilatus pas...' Lea keek om zich heen terwijl ze rondjes draaide met haar stok. '...ik wou dat er een boomhut was!'
Ze wees naar de grote boom een eindje verder op.

Een paar weken geleden hadden ze de hut voor het eerst gezien. Hun poes was weggelopen, dachten ze, maar ze hadden haar onder de boom met de boomhut teruggevonden.


'Zou die mevrouw er zijn?' fluisterde Fanny.
'Ik hoor niets', zei Lea. 'Hocus pocus pilatus pas...' sprak ze zachtjes, '...ik wou dat de hut leeg was!' 
De meisjes bleven bij de touwladder staan.

'Ik ga kijken', zei Fanny. Ze gooide haar toverstok op de grond, trok de ladder naar zich toe en klom naar boven. 
'Het postbakje is leeg!' Ze wees naar het doosje dat aan een touw bungelde.





Fanny kroop de hut in, ging staan, liep naar het open raam en stak haar hoofd naar buiten.


'Lea!' riep ze. 'Het is hier helemaal leeg!'

Onmiddellijk stak Lea haar stok in de zak van haar jurk en klom zo snel als ze kon omhoog.