zaterdag 31 maart 2012

De oude beer



Ik besloot Konijn kennis te laten maken met de oude beer. Op een bepaalde manier had die hetzelfde lot ondergaan als Konijn: ook hij was in de steek gelaten door zijn baasje. Ik had hem gekocht op een rommelmarkt, aan het einde van een lange dag waarin iedereen die langs liep naar hem gewezen had omdat hij er zo oud en versleten uit zag. 'Wat een vieze beer' zei het meisje dat voor mij liep. Ik keek naar hem en vroeg aan de dame die hem verkocht of ik hem even mocht vasthouden. Voorzichtig, alsof het een baby was, tilde ik hem op. Zijn hoofd zat een beetje los op zijn nek, zijn buik was een beetje slap en zijn benen hingen scheef onder zijn lijf. Ik voelde onder zijn pluchen vacht het stro waarmee hij opgevuld was kraken. Hij was prachtig en het was aan hem te zien dat hij veel had mee gemaakt. In een fractie van een seconde besloot ik dat hij mee naar huis mocht en dat hij het beste plaatsje in de kast zou krijgen.

Beer bleek een geweldige verhalenverteller, een kletskous bij tijden. Zodra de deur van de kast open ging begon hij aan een verhaal. Met zijn amberkleurige ogen keek hij je dan aan en begon te vertellen over het meisje dat hem voor zijn verjaardag kreeg, tientallen jaren geleden. Over het speelgoed van het kind, de avonturen die ze beleefden. Hij leek me goed gezelschap voor Konijn.

 (Beer liet zich niet heel gemakkelijk natekenen...)

maandag 19 maart 2012

Konijn



Op een dag vond ik Konijn. Het was een klein knuffelkonijntje; zijn lijf was niet groter dan een pak suiker. Alleen staken er vier lange armen en benen uit, die weer hele grote handen en voeten hadden. Alsof het beestje gemaakt was om zwaar werk te doen, zo groot waren zijn handen.

Ondanks zijn grote voeten en handen en lange ledematen, waar met gemak een kinderhandje om heen geklemd kon worden, wat ook regelmatig gedaan was gezien de donkere vlekken op de grijze vacht, was het zijn baasje niet gelukt hem op de fiets goed vast te houden. Konijn was op straat gevallen. Met zijn neus op de keien, languit op de steenkoude straat. Fietsers waren voorbij geracet, een paar auto's reden met hun brede banden vlak langs zijn pootjes. Zijn baasje had het misschien niet eens gemerkt, of nog erger, misschien toch wel en had het hard geroepen maar hoorde zijn vader of moeder het niet.

Konijn had een grote pleister op zijn hoofd toen ik hem van de straat op raapte. Door die pleister leek hij nog zieliger dan hij al was. Zijn zwarte kraaloogjes keken zo droevig de wereld in.


Nu zit Konijn een beetje bij te komen op de vensterbank in de boomhut. Om zijn baasje te laten weten dat ik Konijn gevonden heb, heb ik postertjes gemaakt met zijn hoofd erop. Het is net alsof hij een gezochte bankovervaller is.

maandag 12 maart 2012

mijn bewaarzak


Jasper, het jongetje uit dit prachtige voorleesboek van Ruth Ainsworth (uit 1981), krijgt in het eerste verhaal een 'bewaarzak' van zijn oma.



In de boomhut staat mijn stokoude handnaaimachine. Daarmee heb ik, aan tafel bij het open raam, terwijl de zon naar binnen scheen en een koolmeesje hoog in de boom een liedje zong, mijn bewaarzak genaaid. Het was niet moeilijk om te maken: ik knipte twee rechthoekige stukken stof, werkte de randen netjes af en stikte drie kanten aan elkaar vast. Daarna vouwde ik de randen naar binnen en naaide er een tunnel voor een koord in. Het koord heb ik gehaakt, de letters heb ik met naaigaren op de zak opgeborduurd. 





dinsdag 6 maart 2012

eerste bezoek

Op een kille maartse ochtend, net nadat ik alle dekens en spreien die ik in de hut bewaarde over me heen getrokken had en ik juist op het punt stond mijn eerste verhaal te gaan schrijven (heel onhandig, zo onder de dekens) hoorde ik iemand rond mijn boom lopen.

Roerloos bleef ik zitten. Ik durfde ik me niet meer te bewegen. De pen die ik in mijn linkerhand hield bleef vlak boven het papier zweven, de vingers van mijn andere hand klemden zich steviger om mijn schrift.

‘poes poes poes…’, klonk een meisjesstem, recht onder mij.
‘Daar is ze! Ze komt al naar ons toe’, klonk de stem van een ander meisje.


Zo stil mogelijk liet ik de dekens van me af glijden en kroop ik naar de deuropening. Er stonden twee meisjes onder mijn boom.