maandag 15 oktober 2012

Het zielige verhaal van de beer - deel 1


Dit verhaal gaat over Clarissa, een meisje dat ongeveer honderd jaar geleden in Nederland woonde. Clarissa was zes jaar en het enige kind van haar ouders. Ze waren rijk en dat was aan Clarissa goed te zien: ze droeg jurken van zijde met kantjes en strikjes en satijnen onderjurken. Ze droeg elke dag witte kousen en zwart leren lakschoenen. Ze had lang blond haar met pijpekrullen dat met een fluwelen haarbandje uit haar ogen werd gehouden. Iedere ochtend hielp een kindermeisje haar met aankleden en met het borstelen van haar haar. 
In de zomermaanden maakte Clarissa elke zaterdagmiddag met haar ouders een wandeling door de binnenstad. Haar vader was de burgemeester, hij groette alle voorbijgangers en maakte hier en daar een praatje. Clarissa drentelde dan een beetje om hen heen, totdat ze er genoeg van had en begon te jammeren en te jengelen, waarop haar ouders onmiddellijk hun gesprek staakten en met hun dochter verder wandelden.
Tijdens één van deze wekelijkse zomerwandelingen stopten haar ouders vlakbij de speelgoedwinkel om een praatje te maken met de dominee en zijn vrouw. Clarissa slenterde naar de etalage en bekeek het speelgoed dat er uitgestald stond. Vlak achter de ruit stond een houten locomotief op een klein spoorbaantje. In de hoek leunde een pop met krullen en een witte jurk tegen een grote blokkendoos, daarnaast stond een bruin hobbelpaard. Vlak boven de kop van het beest hingen twee vliegtuigjes en een marionet. Achter het paard, een beetje verscholen, zat een gele teddybeer.




‘Dat was jij, hè?’ Konijn keek Beer vragend aan.
Beer knikte, maar ging onverstoorbaar verder met zijn verhaal.







Zodra Clarissa de beer zag, begon ze te stampvoeten en riep ze haar vader. Met een aanstellerige stem smeekte ze hem om de beer. Ze hield haar hoofd een beetje scheef en trok een pruillip om haar smeekbede kracht bij te zetten.
‘Wat is er liefje?’ Haar vader kwam op een drafje aangehold, met haar moeder in zijn kielzog.
Clarissa wees naar de beer en zette haar zieligste gezichtje op.
‘Wil je die zo graag?’ De burgemeester aaide zijn dochter over haar hoofd en bekeek de teddybeer.
Haar moeder keek haar begripvol aan en zei: ‘zo’n mooie beer heb je nog niet, hè popje?’De vrouw knikte goedkeurend naar haar man. ‘Koop hem maar’, zei ze. ‘Ze heeft al een tijdje geen cadeautje gehad.’
Even later kreeg Clarissa een grote doos in haar armen gedrukt. Het domineesechtpaar werd uitgezwaaid en het gezin zette de wekelijkse wandeling voort.

In de burgemeesterswoning had Clarissa een grote slaapkamer met uitzicht op het plein. Haar hemelbed stond in het midden van de achterwand. Aan de linkerkant van het bed stond een grote klerenkast met vijftien jurken en zes paar schoenen. Aan de rechterkant, vlak onder het raam stond een rond tafeltje met een theeserviesje er op. Om het tafeltje stonden vijf rieten stoeltjes, met op elke stoel een porseleinen pop. De ene pop was nog mooier dan de andere, allemaal droegen ze een hoedje van stro en leren schoentjes met veters.

Pas laat die avond haalde Clarissa de beer uit de doos. Ze bekeek hem vluchtig en zette hem toen in de vensterbank, vlakbij het theekransje.
‘Jij houdt hier de wacht,’ zei ze. Dat was het eerste en het laatste dat ze tegen hem zei. Daarna keek ze niet meer naar hem om.

Dag en nacht zat de beer voor het raam. Hij hield het plein goed in de gaten en lette nauwkeurig op de bezoekers van de burgemeester. Zo nu en dan probeerde hij een gesprekje aan te knopen met één van de poppen, maar hij kwam er al snel achter dat porseleinen poppen niet veel gesprekstof hebben.

Nooit werd hij opgepakt, behalve wanneer de dienstmeid de vensterbank afstofte. Zo gingen er maanden voorbij. De dagen werden korter. Het begon te waaien, de bladeren vielen en regen en sneeuw wisselden elkaar af.

- wordt vervolgd-

zondag 7 oktober 2012

Sprookje

Er was eens een boomhut in een smal bos aan de rand van een dorp. Soms was de schrijfster daar en verzon ze verhalen over Beer en Konijn. Wanneer zij er niet was, kropen twee meisjes de touwladder op en speelden er tot het donker werd. Na verloop van tijd werd het er een rommeltje. De schrijfster liet haar papieren slingeren en vergat haar vuile vaat af te wassen. De meisjes maakten het er niet beter op: ze sleepten stenen naar boven, bakjes met zand en gras en gieters met water, waardoor er blubber tussen de kieren van de plankenvloer kwam. 

Toen het herfst werd en de eerste storm zijn werk in het bos gedaan had, was de boomhut veranderd in een bouwval: takken en bladeren waren naar binnen gewaaid, in de vochtige gordijnen en dekens groeide schimmel, spinnen krioelden in alle hoeken en gaten en hun prachtig geweven webben hingen kriskras door de hut.

Het was tijd voor een opknapbeurt. De gordijnen werden vervangen, het houtwerk werd geschilderd en gelakt. In de deuropening kwam een echte deur, zelfs de ramen kregen glas. De boomhut werd een huisje. Er kwam een tafel voor het rechter raam, met een schemerlamp erboven. Voor het andere raam kwam een schommelstoel, die in delen naar boven werd gehesen, omdat hij niet in zijn geheel door de deuropening paste.

En zo kwam de dag dat de schrijfster weer naar haar boomhut ging, haar laptop in haar tas, beer en konijn onder de arm, klaar voor een nieuw verhaal.

maandag 4 juni 2012

Makkelijke Moestuin




We hebben een tuintje gemaakt. Hij staat naast de boom, onder de hut. De website van de Makkelijke Moestuin bracht ons op het idee. We hebben al flink wat kerstomaten en één aardbei gegeten. Nog een paar weken, dan kunnen we komkommertjes oogsten.

zaterdag 19 mei 2012

Een verhaal voor Konijn


Konijn keek nog steeds somber voor zich uit, alsof hij vastbesloten was pas weer een lach te voorschijn te toveren als hij zijn baasje weer zag. 
Beer schoof een beetje heen en weer met zijn oude pluche billen.
'Goed dan', zuchtte hij. 'Ik zal je een verhaal vertellen waar je vrolijk van wordt.'
'Maar ik wil helemaal niet vrolijk worden!' riep Konijn wanhopig en hij wierp zijn lange grijze armen in de lucht. 'Ik wil een droevig verhaal of een zielig verhaal, zo'n verhaal waarbij ik kan huilen en verdrietig ga snikken terwijl de tranen over mijn wangen biggelen!'
Beer keek een beetje ongerust naar zijn nieuwe huisgenoot. 
'Een zielig verhaal dus...'. 
Konijn knikte.
'Deze heb ik al een hele lange tijd niet verteld'. Beer sprak een beetje aarzelend, bijna alsof hij twijfelde of hij Konijn dit trieste verhaal wel aan kon doen. 'Weet je het heel zeker?' vroeg hij, in de hoop dat hij toch die mop mocht vertellen van de olifant in het bos of het verhaal van de kabouter die alles achterstevoren deed. Maar Konijn knikte driftig en ging er eens goed voor zitten.
 
 

zondag 29 april 2012

Koninginnedag en een verloren pop

(Onderstaand verhaal heb ik anderhalf jaar geleden onder de titel 'Queensday and a lost doll' in het Engels geschreven en gepubliceerd in het kader van Fröken Skicklig’s 'Lost Doll Contest'. Ik won daarmee een e-class poppenmaakcursus en maakte de pop op de foto onderaan dit bericht.)



Het was Koninginnedag, ik was ongeveer zes jaar oud. Het weer was verschrikkelijk die dag, de regen kwam met bakken uit de hemel. Mijn moeder keek naar de donkere wolken boven ons huis en zei dat het leek alsof het nooit meer zou ophouden met regenen. Ze besloot dat ze in haar eentje naar de vrijmarkt zou gaan, maar beloofde dat ze voor mij en mijn zusjes iets moois mee terug zou nemen.


Het duurde niet lang voor ze weer thuis was, hoewel het voor ons eeuwen had geleken voordat ze terug was. We zaten bij het raam tekeningen op de beslagen ruit te maken toen ze terugkwam, doorweekt, maar vrolijk en opgetogen.
‘Ik heb prachtige dingen voor jullie,’ zei ze, terwijl ze haar tassen op de keukentafel neerzette. ‘Heidi,’ zei ze en ze keek me aan met een stralende lach, ‘ik heb voor jou de mooiste pop van de wereld gevonden!’ Een blij gevoel borrelde in mij naar boven en nestelde zich in mijn buik. Een pop! Voor mij! Ik begreep door de manier waarop ze naar me gekeken had dat het echt iets speciaals was, dat ze niet zomaar een oude pop voor me had gekocht, maar een bijzondere en helemaal alleen voor mij. Ze kletste door terwijl ze haar tassen uitpakte. Mijn zusjes kregen elk een bruine pluche knuffelbeer met kleertjes aan. Met z’n drieën kregen we een gigantische vloerpuzzel van de Bereboot, mijn vader kreeg rubberen laarzen en voor zichzelf had ze bollen wol en breinaalden gekocht.

‘Ik begrijp het niet,’ zei ze plotseling, terwijl ze mij aan keek. ‘Ik zie de pop nergens.’ Ze hield de tassen ondersteboven. Ze waren leeg. Ik keek naar mijn zusjes die hun nieuwe teddyberen stevig knuffelden. Mijn moeder tilde me op en zette me op haar schoot. Ik begon te huilen, hoewel ik dat niet wilde. Maar ik wilde de onbekende pop zo graag hebben, vasthouden en knuffelen, dat de tranen als vanzelf over mijn wangen stroomden. Mama bleef doorzoeken, keerde de tassen helemaal binnenstebuiten, tot ze ineens mijn hand greep.
‘We gaan terug!’ zei ze gedecideerd. ‘Die pop moet ergens zijn, ik ben hem waarschijnlijk op de weg naar huis kwijtgeraakt. Kom mee!’


We trokken onze regenjassen aan en stapten in de stromende regen op de fiets. Ik voelde me een speurhond op expeditie, zoekend naar de verloren pop. Langzaam reden we door de straten van ons dorp. We keken overal, onder struiken en bomen, in tuinen en paadjes. 

We hadden de pop nog steeds niet gevonden toen we bij de rommelmarkt aankwamen. We zetten onze fietsen op slot en hand in hand gingen we verder met de zoektocht. Toen we zonder pop aankwamen op de plek waar mijn moeder haar gekocht had, was het al laat; de meeste verkopers waren al bezig met inpakken. Om me te troosten kreeg ik een kralendoos van de vrouw van het kraampje en ik deed mijn best om te doen alsof ik daar erg blij mee was. Op de terugweg vocht ik met een brok in mijn keel tegen de tranen.


De pop verdween niet meer uit mijn gedachten, ook al had ik haar nooit gezien. De weken na die Koninginnedag stelde ik me regelmatig voor dat ik haar toch nog vond. Later stelde ik mezelf gerust met de gedachte dat een ander meisje haar vond en dat zij goed voor haar zorgde. 
Lange tijd was ik er van overtuigd dat de pop bijzondere gaven had, dat ze magisch was, omdat ik me door haar zo speciaal had gevoeld. Jaren later realiseerde ik me dat het iets anders was waardoor ik die gevoelens had gekregen: de manier waarop mijn moeder me aangekeken had toen ze vertelde van die mooie pop.





zaterdag 28 april 2012

de kraai

Pok! 
Lea en Fanny keken elkaar geschrokken aan.
'Wat was dat?'
Op knieën kropen ze naar de deuropening van de boomhut. Vlak naast de touwladder lag een grote zwarte vogel in het gras.



'Is ie dood?' fluisterde Fanny. 'Ik vind het zielig.'
'Nee, zijn buik beweegt,' antwoordde Lea. 'Kijk maar, hij hijgt. Hij is tegen de boom gevlogen, denk ik.'

Plotseling maakte het beest een sprongetje, waardoor het rechtop kwam te zitten.
'Kijk hij leeft!' riep Fanny uit.
De vogel hipte een eindje bij de boom vandaan en bleef weer roerloos zitten.
'Volgens mij is het een kraai,' zei Lea. 'Die zijn altijd zwart.'
'Als hij niet meer kan vliegen, dan kunnen we hem leren praten,' zei Fanny. 'Kom, dan kijken we of hij wegvliegt als we naar beneden komen.'

De meisjes klommen achter elkaar de touwladder af, muisstil, half omgedraaid kijkend naar de beduusde vogel. Fanny ging voorop. Lea liep vlak achter haar. Voetje voor voetje slopen ze naar het beest, hun armen gestrekt voor zich uit, klaar om het beest te grijpen.


Ineens schudde de kraai zijn kop en kraste luid. Toen nam hij een aanloop, spreidde zijn vleugels en vloog weg.


zondag 15 april 2012

Lucie

Er was post. De doos met de opgeplakte letters P O S T, die dienst deed als brievenbus, hing een beetje scheef aan zijn ophaalkoord. Er lag een bruin papieren pakje in, dat dichtgebonden was met zandkleurig touw. Er stond niet op voor wie het bestemd was of wie het gestuurd had; er zaten niet eens postzegels op. Ik besloot dat het voor mij was.

Ik haalde het touw los en vouwde het papier open. Er zat een grote lucifersdoos in het pakje. Het deksel stond een beetje bol, waardoor ik onmiddellijk zag dat er iets in de doos zat.


Ik schoof het deksel er een klein stukje vanaf.


Er zat een piep klein meisje in, met bruine haren en bruine ogen, een roze mond, maar geen neus. Haar armen en benen waren langs haar romp over haar schouders gevouwen, zodat ze precies in het rechthoekige bakje paste.

Ik schoof het deksel helemaal van haar af en vouwde haar lange rood-wit gestreepte armen en benen uit de holtes naast haar hoofd en legde ze over de randen van de lucifersdoos.


Het was een Lucie, of een van 'the match box people', zoals men ze in Engeland en de Verenigde Staten noemen.

Lucies komen uit Zweden, om precies te zijn uit de luciferfabriek van Uddevalla. Het volkje woont al bijna honderd jaar in de fabriekshallen. Vanwege de zwaveldampen die er hangen, hebben ze geen neus. Ze zouden constant flauwvallen van de geur van rotte eieren die de hele dag om hen heen hangt.



 

Heel af en toe reist een Lucie af naar de mensenwereld. Meestal uit nieuwsgierigheid, soms om een boodschap door te geven. Aangezien mijn Lucie geen briefje bij zich had, vermoedde ik dat ze gewoon een tijdje bij mij in de boomhut wilde zijn.

Ik zette haar naast Konijn en Beer in de vensterbank, zodat ze het Smalle Bos in kon kijken en bedacht me dat ze nu met z'n drieën waren en dat dat voor problemen kon zorgen. Ik besloot Fanny en Lea om hulp te vragen. De meisjes hadden de boomhut ontdekt en zouden misschien wel willen helpen met het verzorgen van de aangewaaide boomhutbewoners. 



Terwijl ik dat bedacht, keek ik even naar Lucie. Ze had een glimlach om haar mond gekregen.


maandag 9 april 2012

De lege boomhut in het smalle bos

Er woonden twee meisjes in het huis aan de rand van het dorp. Vanuit hun slaapkamer keken ze uit op het bos dat bij hun tuinhek begon en de grens markeerde tussen het dorp en de weilanden. Lea en Fanny noemden het bos het 'smalle bos', omdat het niet breder was dan tien bomen en er slechts een smal paadje door liep. 

Op een middag, toen ze al heel lang in de tuin gespeeld hadden met gras en stenen en ze bloemblaadjes met modder en water gemengd hadden, besloten ze, zonder het echt te overleggen, het smalle bos in te gaan om takken te zoeken.

Er lagen niet veel losse takken tussen de bomen. Ze vonden er één,
die ze in tweeën braken zodat ze allebei een stok hadden. 

'Dit is mijn toverstok', riep Fanny en ze zwaaide er mee in het rond.
'Hocus pocus pilatus pas...' Lea keek om zich heen terwijl ze rondjes draaide met haar stok. '...ik wou dat er een boomhut was!'
Ze wees naar de grote boom een eindje verder op.

Een paar weken geleden hadden ze de hut voor het eerst gezien. Hun poes was weggelopen, dachten ze, maar ze hadden haar onder de boom met de boomhut teruggevonden.


'Zou die mevrouw er zijn?' fluisterde Fanny.
'Ik hoor niets', zei Lea. 'Hocus pocus pilatus pas...' sprak ze zachtjes, '...ik wou dat de hut leeg was!' 
De meisjes bleven bij de touwladder staan.

'Ik ga kijken', zei Fanny. Ze gooide haar toverstok op de grond, trok de ladder naar zich toe en klom naar boven. 
'Het postbakje is leeg!' Ze wees naar het doosje dat aan een touw bungelde.





Fanny kroop de hut in, ging staan, liep naar het open raam en stak haar hoofd naar buiten.


'Lea!' riep ze. 'Het is hier helemaal leeg!'

Onmiddellijk stak Lea haar stok in de zak van haar jurk en klom zo snel als ze kon omhoog. 


zaterdag 31 maart 2012

De oude beer



Ik besloot Konijn kennis te laten maken met de oude beer. Op een bepaalde manier had die hetzelfde lot ondergaan als Konijn: ook hij was in de steek gelaten door zijn baasje. Ik had hem gekocht op een rommelmarkt, aan het einde van een lange dag waarin iedereen die langs liep naar hem gewezen had omdat hij er zo oud en versleten uit zag. 'Wat een vieze beer' zei het meisje dat voor mij liep. Ik keek naar hem en vroeg aan de dame die hem verkocht of ik hem even mocht vasthouden. Voorzichtig, alsof het een baby was, tilde ik hem op. Zijn hoofd zat een beetje los op zijn nek, zijn buik was een beetje slap en zijn benen hingen scheef onder zijn lijf. Ik voelde onder zijn pluchen vacht het stro waarmee hij opgevuld was kraken. Hij was prachtig en het was aan hem te zien dat hij veel had mee gemaakt. In een fractie van een seconde besloot ik dat hij mee naar huis mocht en dat hij het beste plaatsje in de kast zou krijgen.

Beer bleek een geweldige verhalenverteller, een kletskous bij tijden. Zodra de deur van de kast open ging begon hij aan een verhaal. Met zijn amberkleurige ogen keek hij je dan aan en begon te vertellen over het meisje dat hem voor zijn verjaardag kreeg, tientallen jaren geleden. Over het speelgoed van het kind, de avonturen die ze beleefden. Hij leek me goed gezelschap voor Konijn.

 (Beer liet zich niet heel gemakkelijk natekenen...)

maandag 19 maart 2012

Konijn



Op een dag vond ik Konijn. Het was een klein knuffelkonijntje; zijn lijf was niet groter dan een pak suiker. Alleen staken er vier lange armen en benen uit, die weer hele grote handen en voeten hadden. Alsof het beestje gemaakt was om zwaar werk te doen, zo groot waren zijn handen.

Ondanks zijn grote voeten en handen en lange ledematen, waar met gemak een kinderhandje om heen geklemd kon worden, wat ook regelmatig gedaan was gezien de donkere vlekken op de grijze vacht, was het zijn baasje niet gelukt hem op de fiets goed vast te houden. Konijn was op straat gevallen. Met zijn neus op de keien, languit op de steenkoude straat. Fietsers waren voorbij geracet, een paar auto's reden met hun brede banden vlak langs zijn pootjes. Zijn baasje had het misschien niet eens gemerkt, of nog erger, misschien toch wel en had het hard geroepen maar hoorde zijn vader of moeder het niet.

Konijn had een grote pleister op zijn hoofd toen ik hem van de straat op raapte. Door die pleister leek hij nog zieliger dan hij al was. Zijn zwarte kraaloogjes keken zo droevig de wereld in.


Nu zit Konijn een beetje bij te komen op de vensterbank in de boomhut. Om zijn baasje te laten weten dat ik Konijn gevonden heb, heb ik postertjes gemaakt met zijn hoofd erop. Het is net alsof hij een gezochte bankovervaller is.

maandag 12 maart 2012

mijn bewaarzak


Jasper, het jongetje uit dit prachtige voorleesboek van Ruth Ainsworth (uit 1981), krijgt in het eerste verhaal een 'bewaarzak' van zijn oma.



In de boomhut staat mijn stokoude handnaaimachine. Daarmee heb ik, aan tafel bij het open raam, terwijl de zon naar binnen scheen en een koolmeesje hoog in de boom een liedje zong, mijn bewaarzak genaaid. Het was niet moeilijk om te maken: ik knipte twee rechthoekige stukken stof, werkte de randen netjes af en stikte drie kanten aan elkaar vast. Daarna vouwde ik de randen naar binnen en naaide er een tunnel voor een koord in. Het koord heb ik gehaakt, de letters heb ik met naaigaren op de zak opgeborduurd. 





dinsdag 6 maart 2012

eerste bezoek

Op een kille maartse ochtend, net nadat ik alle dekens en spreien die ik in de hut bewaarde over me heen getrokken had en ik juist op het punt stond mijn eerste verhaal te gaan schrijven (heel onhandig, zo onder de dekens) hoorde ik iemand rond mijn boom lopen.

Roerloos bleef ik zitten. Ik durfde ik me niet meer te bewegen. De pen die ik in mijn linkerhand hield bleef vlak boven het papier zweven, de vingers van mijn andere hand klemden zich steviger om mijn schrift.

‘poes poes poes…’, klonk een meisjesstem, recht onder mij.
‘Daar is ze! Ze komt al naar ons toe’, klonk de stem van een ander meisje.


Zo stil mogelijk liet ik de dekens van me af glijden en kroop ik naar de deuropening. Er stonden twee meisjes onder mijn boom.




maandag 20 februari 2012

eerste bericht

Zo had ik het me voorgesteld: een hut van planken, hoog in de boom. Met echte gordijntjes voor de ramen, een touwladder en een mandje voor brieven of andere dingen.